Artists Gallery Calendar News Art Fairs Publications Contact

Selected works of the exhibition
Press Release (English)
Press Release (French)
Press Release (Dutch)
Print press release
Print images...




Valérie Belin
Guillaume Bresson
Jean-Baptiste Camille Corot
Edgar Degas
Luc Delahaye
Maurice Denis
Joseph-Siffred Duplessis
Philippe de Champaigne
Nicolas de Largillierre
Patrick Faigenbaum
Seydou Keïta
Sophie Kuijken
Eugène Leroy
Youssef Nabil
Elizabeth Peyton
Hyacinthe Rigaud
Alexandre Roslin
Andres Serrano
Cindy Sherman
Mickalene Thomas
Agnès Varda
Xavier Veilhan
Élisabeth Louise Vigée Le Brun
Kehinde Wiley
Jérôme Zonder

Portraits, from the 17th to the 21st century
March 13 - May 2, 2020
Charles Decoster, Brussels










Galerie Nathalie Obadia is bijzonder trots om u in Brussel haar nieuwe tentoonstelling over portretkunst voor te stellen. Deze tentoonstelling combineert voor het eerst historische met hedendaagse werken, van de 17e eeuw tot vandaag. Aan de kunstenaars van de galerie werd gevraagd om na te denken over voorstellen in relatie tot een uitzonderlijk ensemble van portretten die uit privécollecties komen en die speciaal voor deze gelegenheid samengebracht werden. Naast historische kunstenaars als Jean-Baptiste Camille Corot, Jacques-Louis David, Edgar Degas, Hyacinthe Rigaud en Élisabeth Louise Vigée Le Brun zullen de schilderkunstige, grafische en fotografische werken van volgende kunstenaars te zien zijn: Valérie Belin, Guillaume Bresson, Luc Delahaye, Youssef Nabil, Mickalene Thomas, Andres Serrano, Agnès Varda en Jérôme Zonder. Ook emblematische portretten van kunstenaars als Elizabeth Peyton, Cindy Sherman, Xavier Veilhan en Kehinde Wiley maken deel uit van het tentoonstellingsparcours.


Deze presentatie brengt visuele echo’s, kritische commentaren en hommages aan het licht. De tentoonstelling beoogt een inkijk te bieden op zowel het universele karakter als de artistieke praktijk binnen een bepaalde tijdspanne van het portretgenre. Als het klassieke portret onderworpen is aan een welomlijnd geheel van conventies en symbolen, net zoals bij historische schilderkunst, dan lijken haar canonieke voorstellingen aanleiding te hebben gegeven aan een beeldcultuur die als inspiratiebron fungeert voor vele generaties kunstenaars.


Valérie Belin verwierf bekendheid met reeksen fotoportretten waarin ze speelt met de notie van ‘het levende’. Voortdurend onderzoekt ze de dubbelzinnige verbanden tussen realisme en illusie aan de hand van een model dat zowel onderwerp als voorwerp is. Zo bevraagt de kunstenares de fundamentele ambivalentie van het Zijn. Op de tentoonstelling presenteert ze een werk uit de serie Models II (2006), een buste in driekwartprofiel tegen een zwarte achtergrond.


De scherpe contouren en onwerkelijke perfectie van de huid contrasteren met de fysieke weergave en de bruintinten op de prachtige Bust of a woman van Edgar Degas, waar haar foto door de pose aan refereert. Het werk van Valérie Belin reflecteert over de technieken van de fotografie:het legt op radicale wijze vast, fixeert en vlakt uit, terwijl het schilderij van Edgar Degas in een schetsmatige vorm de dingen aftast en vorm krijgt door allerlei nuances.


In tegenstelling tot de principes van het realisme en de gelijkenis die traditioneel geassocieerd worden met portretten, is de reflectie over illusie ook een van de essentiële aspecten in het werk van de Amerikaanse conceptuele fotografe Cindy Sherman. Zij fungeert zelf als het model in haar foto’s en vermomt zich als fictieve personages. Zo stelt ze vragen over noties van identiteit, uiterlijk en gender in onze hedendaagse samenleving. De representatie van vrouwen en sociale mechanismen omtrent gender nemen een essentiële plaats in haar werk.


Ook de Belgische kunstenares Sophie Kuijken werkt in haar beeldend oeuvre rond de notie van het model. Of beter gezegd: ze keert zich ervan af, want ze ruilt de poseersessies in voor beelden die ze sprokkelt op het internet. Op die manier is ze in staat enigmatische portretten van imaginaire personen samen te stellen, die tegelijk menselijk en onwerelds aandoen, in de traditie van de Vlaamse Primitieven. Over haar uitgangspunt zegt ze zelf: “Ik schilder graag mensen. Ik hou ervan om in te schatten wie ze zijn door hen simpelweg te observeren en me volledig onder te dompelen in hun wereld. Dat is uiteraard een erg intiem en persoonlijk iets, dus ik doe zoiets niet met vreemden, vrienden of kennissen. In plaats daarvan probeer ik die ervaringen te creëren.” De confrontatie van haar portret met dat van Nicolas de Largillierre brengt ons ertoe om in de afbeelding van deze magistraat uit de 18e eeuw, weergegeven volgens de conventies van zijn tijd en ambt, een volledig willekeurige vorm van vreemdheid te ontdekken.


De theatraliteit van de magistraat vindt een complement in de foto’s van Agnès Varda. Het gaat om werken uit de jaren 1950, met Jeanne Moreau, Christiane Minazzoli, Gérard Philipe en Maria Casares op de bühne in de mooiste rollen en in historische kostuums. Deze legendarische en erg elegante portretten bewijzen de belangrijke bijdrage die Agnès Varda heeft geleverd aan de fotografie in de jaren 1950, een medium waarmee ze bekend raakte toen ze als fotografe werkte voor het Festival d’Avignon en het Théâtre National Populaire aan het begin van haar filmcarrière.


Seydou Keïta, de befaamde portrettist van de samenleving van Bamako, in Mali, tussen 1948 en 1962, maakte een aanzienlijk aantal individuele en groepsportretten, geënsceneerd volgens klassieke representatiecodes en de normen van het burgerlijke leven. Als erfgenaam van een traditie van portretkunst ter bevestiging van sociale rang en als getuige van een modern en westers streven bij zijn tijdgenoten besteedde Seydou Keïta bijzondere aandacht aan de attributen, kledij en houding van zijn modellen, wat hen toeliet om op symbolische wijze de status en privileges te verkrijgen die tot dan toe gereserveerd waren voor blanken. De twee tentoongestelde werken worden gecombineerd met het Portrait of the Philosopher and Encyclopedist Baron d’Holbach van Alexander Roslin en La Présidente de Manzeray de Courvaudon van Nicolas de Largillierre: men kan hier de transpositie zien van de visie op portretkunst en van een beeldtaal uit een ander tijdperk en een andere cultuur.


Ook Guillaume Bresson put uit de kunstgeschiedenis - met name uit de renaissance en het Frans classicisme - een beeldtaal waarmee hij gemarginaliseerde of ondervertegenwoordigde individuen en sociale kringen tot de status van ‘subject’ kan tillen. Hij presenteert op de tentoonstelling een bijzonder mooi zelfportret in potlood op papier, het portret van een queer activist in New York volgens een typologie die herinnert aan de Vlaamse schilderkunst (met een reling, zwarte achtergrond, driekwartprofiel). Door de pose leunt zijn werk nauw aan bij religieuze portretten. Verder presenteert de kunstenaar twee tondo’s, een bekend formaat dat in de 18e eeuw ontwikkeld werd. In de nabijheid van stereotypische schoonheden uit de 17e en 18e eeuw, met hun lichte huid, blond haar, bescheiden elegantie en etherische uitstraling, grijpt zijn weergave van een zwarte vrouw des te meer aan. Die is in alle opzichten anders: de vrouw is vanop de rug te zien, haar ogen zijn naar de grond gericht en ze heeft duidelijk beproevingen doorstaan.


In het oeuvre van Mickalene Thomas neemt de representatie van het zwarte vrouwenlichaam een centrale plaats in. Het lichaam vormt er het onderwerp van sociale, historische en fantasmatische projecties, op het snijvlak van diverse symbolen en inspiratiebronnen. Haar werk is tegelijk een hommage en een kritiek op de beroemde avant-gardistische portretten uit de 19e eeuw die hun stempel hebben gedrukt op de geschiedenis van de schilderkunst en de evolutie van de maatschappij. De kunstenares neemt het erotische en broeierige potentieel over van La Grande Odalisque van Jean-Auguste-Dominique Ingres en Olympia en The Luncheon on the Grass van Édouard Manet. Zo stelt ze vragen stellen bij de canon en het concept van schoonheid door de geschiedenis heen.


De schilder Kehinde Wiley is een belangrijke figuur op de Amerikaanse kunstscène. Ook bij hem vinden we de wens terug om diegenen te heroïseren die door de macht onderdrukt zijn en in de kunstgeschiedenis ondervertegenwoordigd zijn. In zijn werken vermengt hij op flamboyante wijze het systeem van representatie geleend van grote klassieke portretten, een uitvergroting van de Afro-Amerikaanse cultuur en erotische viriliteit met elkaar. Tegen een achtergrond van fantasierijke bloemmotieven voert hij zijn ‘boys’ op in triomfantelijke houdingen. Hij geeft zwarte mannen krachtig weer en brengt zo een heilzame ommekeer in de geschiedenis van het portretgenre teweeg.


De Amerikaanse fotograaf Andres Serrano focust eveneens op de sociale en politieke dimensie van het portret en herinnert ons aan de onverbiddelijke kracht ervan: onomwonden belicht hij in veel van zijn reeksen maatschappelijke problemen, waaronder racisme, armoede en marginalisering. Als meester van de toe-eigening en het verdraaien van symbolen, in het bijzonder religieuze symbolen, aarzelt hij niet om te spelen met subversieve associaties en geeft hij aan zijn portretten een duidelijk allegorische betekenis mee: hier zien we een jong meisje dat een doornenkroon draagt en ondeugend naar de lens kijkt. De foto dialogeert met een neoklassieke The Vestal, die Jacques-Louis David schilderde aan de vooravond van de Franse Revolutie. De confrontatie tussen beide doet de extatische goedgelovigheid en vroomheid in het schilderij des te meer opvallen.


Naar aanleiding van deze tentoonstelling en met betrekking tot zijn werk Jeune Veuve (2000-2017) stelde Luc Delahaye over zijn relatie tot het portret, en meer specifiek: het gezicht, waarin veel van zijn vragen omtrent het beeld samenkomen: “Het gaat om een detail uit een contactblad binnen de context van een reportage die ik in Palestina heb gemaakt in oktober 2000, tijdens de tweede Intifada. De vrouw die we hier zien in profiel (het is dus geen portret) is de echtgenote van een jonge man die door Israëlische troepen werd gedood in een klein dorp op de Westelijke Jordaanoever. (...) Na drie kleine boeken die ik in de jaren 90* heb gepubliceerd, heb ik niet veel rond het portret als zodanig gewerkt, maar het thema van het portret bleef me wel bezighouden. Of beter gezegd, het thema van het gezicht. In een fotografisch tableau dat uit lichamen en dingen bestaat en dat een actie of een situatie toont, fungeert het gezicht als een vortex. Door zijn emotionele geladenheid lokt het onweerstaanbaar de blik, ten koste van alles wat het omringt. Het weegt op de structuur van het beeld. Ik heb dat probleem vaak vermeden door werk te maken met driekwartaanzichten van achteren, gebogen hoofden enz. Het stelde me in staat om de lyriek van het beeld te temperen, om tot een kouder resultaat te komen. Maar het verdwijnen van het gezicht komt overeen met een verlies van menselijkheid en hoewel dat op zich wel een interessant gegeven is, herken ik mezelf daar niet in. Het is altijd naar het gezicht dat ik wil terugkeren, alsof dat alleen in staat is mijn schilderij te verlichten.”


Patrick Faigenbaum, die een opleiding als schilder genoot, nam zijn eerste foto’s in de vroege jaren zeventig en koos al snel voor de portretfotografie, wat een van zijn specialiteiten werd. Op de tentoonstelling zijn twee werken uit zijn Kolkatta-serie te zien, die de kunstenaar in India maakte naar aanleiding van de prestigieuze Henri Cartier-Bresson-prijs, die hij in 2013 won. Door een subtiel spel met zijdelingse lichtinval en door de harmonie tussen zwart en wit lijkt Patrick Faigenbaum een intiem of contemplatief moment van zijn modellen vast te leggen, terwijl hun blik zich op iets buiten het beeld richt. Hoewel enigszins vergelijkbaar, contrasteert hun spontane en zelfs ontspannen houding met de berekende en strenge pose in het portret dat Jean-Baptiste Camille Corot van zijn jonge neef heeft gemaakt, en met The Vestal van Jacques-Louis David.


Ook Youssef Nabil, die van fotografische portretten en het zelfportret zijn specialiteit heeft gemaakt, heeft ervoor gekozen om zijn werk naast die twee schilderijen te exposeren. Onder invloed van de gouden eeuw die de Egyptische cinema kende in de jaren 1940 en 1950, heeft de kunstenaar zich de oude techniek van het inkleuren van technicolor-films eigen gemaakt. Zijn handgekleurde afdrukken, zoals Self-portrait with an Angel, Paris 2007, brengen de melancholie van een oosterse ‘belle epoque’ tot uiting en nodigen uit tot introspectie. Zijn ingehouden zelfportret, dat overschaduwd wordt door een engel, vormt een prachtige visuele en spirituele echo van The Vestal van Jacques-Louis David. Het mannelijk naakt Amin Standing, Paris 2001 benadrukt dan weer de jeugdige en androgyne schoonheid van de aantrekkelijke jongeman, geschilderd door Jean-Baptiste Camille Corot.


De Amerikaanse kunstenares Elizabeth Peyton behoort tot de meest invloedrijke figuratieve schilders op de internationale scène. Sinds de jaren negentig realiseert ze portretten, in een intieme en delicate stijl, van haar vrienden en kennissen en van historische figuren. Met kleurtoetsen die de invloed van het impressionisme verraden, en met gevoel voor stilering slaagt de kunstenares erin om de vluchtige en androgyne elegantie van haar modellen te vatten. Haar werk wordt hier getoond naast het duidelijk plechtigere en robuustere Portrait of the Marquis de l’Hospital door Joseph- Siffred Duplessis. In de jaren 90 heeft Élisabeth Louise Vigée-Le Brun de kunstenaar bovendien geïnspireerd door een werk over Marie-Antoinette. Het gaat om een laat werk van deze kunstenares die zich met een grote vrijheid tot de belangrijkste hofschilderes van het Ancien Régime heeft opgewerkt. Het werk is minder licht en vertoont minder rococo- elementen dan haar beroemde portretten uit de periode van vóór de Franse Revolutie, maar het is niettemin even gevoelig en verfijnd.


Jérôme Zonder maakt eveneens deel uit van de ‘romantische’ portretkunstenaars die de ziel van zijn modellen onderzoekt en hun innerlijke leefwereld blootlegt. Aan de hand van de kenmerken van zijn favoriete media, de potlood- en houtskooltekening, geeft de kunstenaar zijn onderzoek een ontologische betekenis mee: hij hecht er immers bijzonder veel belang aan om zijn model in koolstof weer te geven, een materiaal dat een van de belangrijkste moleculaire componenten van het menselijk lichaam vormt. Jérôme Zonder besteedt grote aandacht aan de adolescentie, de leeftijd van verandering bij uitstek, die zich in zijn oeuvre voltrekt in samenhang met het rijpen van zijn grafische werk. Sleep - The Artist’s Wife, née Marthe Meurier van Maurice Denis in olieverf, krijt en houtskool - kan men vergelijken met Zonders portret van een tiener met gebogen hoofd, waar de kunstenaar een innerlijke leefwereld in beeld brengt die nog in volle ontwikkeling is. In beide gevallen wordt subtiel een moment van afwezigheid en kwetsbaarheid vastgelegd. Deze werken herinneren ons eraan dat “elk portret zich bevindt op de grens tussen droom en werkelijkheid” (Georges Perec).


Het portret leent zich ook tot abstractere benaderingen. Dat is het geval in de werken van de eminente Franse schilder Eugène Leroy. Uit de opeenhoping van verflagen komen silhouetten en menselijke gezichten tevoorschijn, waaraan de pasteuze verfmassa een leeftijd, vorm en diepte meegeeft. De inkapseling van deze figuren, hoewel verlicht door een subtiel lichtspel, doet denken aan een citaat van Blaise Pascal: “Een portret draagt afwezigheid en aanwezigheid, plezier en ongenoegen in zich.”


Xavier Veilhan maakt geen gebruik van een ongrijpbare figuratie, hij synthetiseert fysieke aanwezigheid in een geometrische vorm. In zijn oeuvre dat zich beweegt op het snijvlak van sculptuur, schilderkunst, installatie, video, performance en fotografie, heeft de kunstenaar sinds de jaren 1980 het portretgenre en de klassieke beeldhouwkunst verruimd met behulp van eigentijdse technologische en digitale middelen. Antropomorfe sculpturen vormen zijn handelsmerk. Ze zijn gemaakt met behulp van een 3D-techniek die een digitale kopie van het model genereert op basis van punten die door een scanner vastgesteld worden. Zij vormen dus een postmoderne uitbreiding van het portretparadigma. Het tentoongestelde werk heeft een nog nauwere band met de geschiedenis van het genre, vermits het gaat om een bas- reliëf, ergens tussen een standaard schilderij en sculptuur in. De buste met haar veelhoekige vormen bezit een statige frontaliteit, wat haar verbindt met de nobele, verheven en sombere gestalte van de man die een brief in zijn hand heeft, geschilderd door Philippe de Champaigne in de jaren 1650-1655.


Deze reeks portretten onthult de levendige invloed van een klassiek repertoire, waarvan de retoriek nog altijd pertinent voortleeft onder verschillende gedaantes en in andere contexten. Maar vooral onthult deze confrontatie dat het portret, dat tegenwoordig nieuwe impulsen krijgt door de fotografie, de conceptuele kunst, de abstractie en een grote vrijheid qua experimenteren, relevanter is dan ooit - vooral in zijn vermogen om de belangstelling te capteren door zijn grote sociologische betekenis. De alomtegenwoordigheid van het genre door de eeuwen heen kunnen we gemakkelijk in perspectief plaatsen: laten we niet vergeten dat in de stichtingmythes van de kunstgeschiedenis de oorsprong van het portret altijd in verband gebracht worden met de eerste afbeeldingen.

* Portraits/1 (Ed. Sommaire) - portretten van daklozen in fotocabines; Mémo (Ed. Hazan) - portretten van Bosnische oorlogsslachtoffers, overgenomen uit de overlijdensberichten in de krant Oslobodjenje; L’Autre (Ed. Phaidon) - portretten gemaakt in de metro van Parijs