Artists Gallery Calendar News Art Fairs Publications Contact

Selected works of the exhibition
Press Release (English)
Press Release (French)
Press Release (Dutch)
Print press release
Print images...




Josep Grau-Garriga

January 9 - February 16, 2019
Charles Decoster, Brussels










Galerie Nathalie Obadia kondigt met trots de eerste solotentoonstelling in België aan van de Spaanse kunstenaar Josep Grau-Garriga, die in 2011 overleed. Op de expositie is een reeks wandtapijten te zien, waarvan de oudste dateren uit de vroege jaren 1970 en de meest recente uit de jaren 2000. In de loop van deze vier decennia ontwikkelde Josep Grau-Garriga een heel eigen beeldtaal en bracht hij een revolutie teweeg in de tapijtkunst. Verder worden een reeks tekeningen van de Catalaanse meester getoond, een weinig bekend aspect van zijn oeuvre dat niettemin onlosmakelijk verbonden is met zijn tapijten. Het is een van de eerste keren dat zijn textielkunst samen met zijn tekeningen wordt gepresenteerd. De expositie biedt zo een unieke gelegenheid om de kruisbestuiving tussen beide disciplines te laten zien.


Josep Grau-Garriga wordt geboren in 1929 in Sant Cugat del Vallès, een plattelandsdorpje vlakbij Barcelona. Van kindsbeen af helpt hij zijn ouders met het werk op het land en leert hij zo de realiteit van alledag kennen. Gefascineerd door de tradities van het platteland en door de landschappen die hem omringen, ontwikkelt hij al vroeg een interesse voor de tekenkunst. Hij beleeft een gelukkige en landelijke jeugd tot in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbreekt. Drie jaar later maakt hij mee dat de republikeinse troepen verslagen worden en dat Franco niet alleen de macht in zijn geboorteland overneemt maar er ook de dictatuur installeert. Die traumatische gebeurtenissen zullen een blijvende invloed hebben op zijn latere artistieke werk. Ondanks die moeilijke omstandigheden studeert Grau-Garriga in 1952 af aan de San Jorge Academie voor Schone Kunsten in Barcelona. In 1954 maakt hij fresco’s voor het klooster van Sant Crist de Llaceres. Hij laat zich daarbij inspireren door zowel de romaanse kunst van Catalonië als het Mexicaanse muralisme uit het interbellum - van David Alfaro Siqueiros tot Diego Rivera. Deze fresco’s luiden het begin in van zijn carrière.


In 1957 ontvangt Josep Grau-Garriga voor het eerst een commissie om een wandtapijt te maken. Opdrachtgever is Aymat, een lokale manufactuur die de oude techniek van de ‘haute-lisse’ tapijtkunst beoefent. Aangemoedigd door Miquel Samaranch, de nieuwe eigenaar van de fabriek, trekt hij voor de eerste keer naar Parijs om er de gotische tapijtkunst te bestuderen en zich vertrouwd te maken met de nieuwste tendensen in de hedendaagse Franse tapisserie, zoals die door de beroemde wever Jean Lurçat worden geïntroduceerd. In Parijs ervaart hij ook zijn eerste esthetische schokken, wanneer hij er de informele schilderkunst van Jean Fautrier en de ‘art brut’ van Jean Dubuffet ontdekt. Ook komt hij er in contact met de eerste abstracte werken van zijn landgenoten Antoni Tàpies en Antonio Saura. Het is met deze rijkdom aan visuele indrukken dat hij in 1958 aan de slag gaat in het atelier van Jean Lurçat in Saint-Céré (Lot).


Zijn passage bij Lurçat is voor hem een keerpunt. Het doet hem inzien dat een tapijt niet per se een decoratief object hoeft te zijn, maar dat het zich ook kan lenen tot een plastisch onderzoek zoals in de andere beeldende kunsten. Met deze overtuiging keert Josep Grau-Garriga naar Catalonië terug. Zijn nieuwe ambities zet hij onmiddellijk om in de praktijk, wanneer hij de artistieke leiding opneemt van het huis Aymat dat hem van bij het begin gesteund heeft. Hij blaast de manufactuur nieuw leven in en nodigt andere kunstenaars uit om tapijtkartons te maken. Die eerste samenwerkingen vormen de basis voor een nieuwe Catalaanse school van tapijtkunst, waarvan Sant Cugat del Vallès het epicentrum wordt en Grau-Garriga de bevlogen voorman. Bijna dertig jaar lang zullen talrijke kunstenaars steunen op zijn nieuwe en experimentele visie op de textielkunst, onder wie Josep Royo, Joan Miró, Pablo Picasso, Antoni Tapies, Josep Guinovart, Ràfols Casamada en Joan-Josep Tharrats.


In het atelier dat hij leidt en dat als een soort van onderzoekslaboratorium fungeert, neemt hij al snel afstand van de artistieke erfenis van Jean Lurçat. Als Lurçat nog koos voor een heldere lijn in zijn composities en ontwerpen, dan gaat Josep Grau-Garriga een heel andere richting uit door de mogelijkheden van de derde dimensie te exploreren. Zijn tapijten worden zo meer en meer als sculpturen. Grau-Garriga heeft meermaals opgemerkt dat hij weefde als een beeldhouwer en dat hij het textielmateriaal reliëf trachtte te geven door met draden de meest uiteenlopende structuren te creëren. Die nieuwe zorg voor textuur en reliëf betekende niet alleen een breuk met de tweedimensionaliteit van de traditionele tapijtkunst, ze had ook haar wortels in de jeugd van de kunstenaar op het platteland. Zijn vriend en biograaf Arnau Puig vertelt hoe Josep Grau-Garriga als kind de geur van de aarde opsnoof na het ploegen en herhaaldelijk getroffen werd door de geometrie en het reliëf van de diepe groeven die de ploeg in de aarde trok. Al vroeg trachtte hij zijn herinnering aan die geur en dat beeld weer te geven. Aanvankelijk probeerde hij dat via het tekenen, maar uiteindelijk vond hij in het weven de meest treffende en bevredigende manier om zijn doel te bereiken. Zijn allereerste tapijt waarbij textuur de bovenhand heeft op het motief, dateert van 1960 (Chien et Lune, 1960).


Daarop volgen twee bijzonder vruchtbare decennia waarin de kunstenaar op zowel technisch als stilistisch vlak experimenteert. Een van zijn grote vernieuwingen is dat hij vanaf de jaren 1970 geen beroep meer doet op tapijtkartons, maar rechtstreeks zijn composities in stof uitvoert. Dankzij deze nieuwe houding die de spontaniteit bevordert, kan Grau-Garriga zijn verbeelding de vrije loop laten. Die totale vrijheid biedt hem eveneens de kans om niet alleen ‘nobele’ stoffen (zijde, wol, goud- en zilverdraad), maar ook andere - natuurlijke en synthetische - materialen te gaan gebruiken. Zonder hiërarchie vermengt hij katoen, hennep, jute, esparto, koper- en ijzerdraad en zelfs plastic touw. Het is een evolutie die affiniteiten heeft met het onderzoek van zijn tijdgenoten, die net als Grau-Garriga ‘niet-academische’ materialen in zijn werken integreren, onder wie zijn landgenoot Antoni Tàpies of Alberto Burri in Italië. Het gebruik van deze zogenaamde ‘arme’ materialen, in combinatie met steeds complexere plastische oplossingen, resulteert in ruige oppervlakken. De kunstenaar hanteert deze materialen ‘omwille van hun inherente kwaliteiten en in het licht van de esthetische en expressieve impact die hij ermee wil bereiken’. Arnau Puig stelt ook dat deze materialen, waarvan het ruwe karakter niet wordt gemaskeerd, ‘op zichzelf spreken, maar ze roepen ook een universum en een realiteit op; ze zijn bedoeld om op een kritische of documentaire manier te spreken over onze wereld’. they were susceptible of causing.” Arnau Puig adds that these materials, while retaining their primitive nature, ‘do not speak only of their nature; they also express a universe and a reality that seeks to critique and document, that speaks of our world.’


De jaren 1960 en 1970 zijn voor de kunstenaar een erg vruchtbare periode vol plastische experimenten. Tegelijk toont hij zich bijzonder ontvankelijk voor de eigentijdse politieke en sociale context. Tijdens het Franco-regime wordt Spanje fel dooreengeschud door ideologische en identiteitsconflicten. Vrijheden worden langs alle kanten beknot, de repressie is in volle gang. Men moet strijden om te leven en nog meer om zich te uiten - zeker als men kunstenaar is. Als reactie weeft, schildert en tekent Grau-Garriga tal van geëngageerde werken waarin hij het veelvuldige geweld van zijn tijd aanklaagt. Op allegorische wijze brengen zijn werken met rode vlekken hulde aan het bloed van republieke martelaars; de gaten en openingen symboliseren de aanval op fundamentele vrijheden. De jute zakken en de kledij die erin zijn verwerkt, vormen een tastbare herinnering aan het labeur van de boeren en fabrieksarbeiders die dag na dag moeten vechten voor hun bestaan. Bepaalde werken op papier, die zowel tekeningen als persknipsels bevatten, verwijzen rechtstreeks naar de repressie onder het Franco-regime.


In 1968 is de kunstenaar in Parijs, waar hij deelneemt aan de protesten. Een jaar later verblijft hij in New York. Hij ontdekt er de popart en maakt werken waarin hij de oorlog in Vietnam, het Arabisch-Israëlische conflict en de consumptiemaatschappij aan de kaak stelt. Net als Andy Warhol en Robert Rauschenberg voegt hij bestaande objecten en reclameverpakkingen toe aan de compositie van zijn tekeningen en schilderijen.


De presentatie van zijn werken op papier in de Galerie Nathalie Obadia in Brussel heeft tot doel de vruchtbare band te tonen die tussen zijn grafische werk en zijn textielkunst bestaat. Als de tapijtkunst hem nadrukkelijk in staat gesteld heeft om zich toe te leggen op driedimensionaliteit, dan had hij die beeldende vernieuwing eerst voorbereid in zijn schilderijen en tekeningen om ze daarna in zijn tapijten te integreren. Een van zijn meest opmerkelijke innovaties was het gebruik van allerhande stoffen: linnen zakken, lakens en zelfs kledij - elementen die hij eerst verwerkte in zijn schilderijen en tekeningen, voor hij ze in zijn wandtapijten toepaste. Het is verbazingwekkend om te zien dat op het moment dat zijn stijl resoluut abstract werd, de werkelijkheid van het dagelijkse leven plots naar voren trad in zijn werken, onder de vorm van gebruikte voorwerpen en kledij. Als onderdeel van de composities leveren zij vaak zelfs de sleutel aan om de iconografie van de werken te begrijpen.


In 1991 vestigt Josep Grau-Garriga zich definitief in Frankrijk, in Angers. De werken die hij vanaf dan creëert, zijn niet meer per se politiek geladen. De nadruk ligt meer op het zoeken naar zowel plastische als kleureffecten - een fenomeen dat zijn hoogtepunt bereikte omstreeks 2000. Daarvan getuigen Record d’Estiu (Herinnering aan de zomer) et D’un Estiu (Die zomer), die nu te zien zijn in Galerie Nathalie Obadia. De kleuren op beide werken zijn helder en fonkelen - een teken dat ze onder een rustig gesternte zijn gemaakt, in het zachte klimaat van Angers. Zo weerspiegelen de zachte groene tonen, de oranje-rode tinten en de blauwe schakeringen, zoals die in D’un Estiu hun opwachting maken, de kleurenrijkdom van het licht aan de oevers van de Loire, waar de kunstenaar en plein air werkte. Joan Mitchell werd door eenzelfde kleurschok getroffen toen ze zich samen met Jean-Paul Riopelle vestigde in Vétheuil, een rustig dorp aan de oevers van de Seine, en later in Giverny, in de buurt van de beroemde tuin van Claude Monet. Net als de schilder van de waterlelies ontwikkelden Joan Mitchell en Josep Grau-Garriga in de idyllische kalmte en de zintuiglijke roes van hun nieuwe omgeving een lichtrijke en lyrische abstractie. Daarbij legden ze zich toe op het uitdrukken van de energie en de emoties die hen overspoelde.


Hoewel hij een van de grote vernieuwers was van zijn tijd, volgde Jean Lurçat nog de klassieke conceptie van de wandtapijtkunst. Josep Grau-Garriga revolutioniseerde het genre. Dankzij hem werd het tapijt - dat tot dan statisch was - dynamisch en zelfs actief, want gebaseerd op de beweging. Zijn experimenten met nieuwe materialen, reliëf en texturen stelden hem in staat ‘het licht in de meest expressieve schakeringen te capteren en vast te leggen’. Doordat hij risico en toeval tot het fundament van zijn esthetica maakte, leunt de beeldtaal van Josep Grau-Garriga sterk aan bij het Amerikaanse abstracte expressionisme. Hoe meer hij zich mettertijd losmaakte van conventies, des te organischer werd zijn kunst. De kunstenaar ging zelfs zo ver dat hij probeerde om bepaalde herinneringen aan de geur van de aarde uit zijn kindertijd weer te geven. Hij vernieuwde de tapijtkunst en gaf haar een nadrukkelijk hedendaags karakter. Uit zijn werk spreekt een duidelijk gevoel van aanwezigheid: het geeft gestalte aan het leven en aan alles wat harmonisch en begeesterend is.